Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Sterfte naar doodsoorzaak
Omvang van het probleem

Welke doodsoorzaken nemen toe en welke nemen af?

Sterfte aan hart- en vaatziekten sterk gedaald

Sinds 2007 is de absolute sterfte aan kanker groter dan aan hart- en vaatziekten. De absolute sterfte aan kanker is in de periode 1980-2010 gestegen en de sterfte aan hart- en vaatziekten is in die periode sterk gedaald. Vooral de daling in de periode 2002-2010 is groot (zie figuur 1). Het aandeel van hart- en vaatziekten in de totale absolute sterfte daalde in de periode 1980-2010 van 44,8% naar 28,7%. Voor kanker steeg het aandeel licht van 27,3% in 1980 naar 32,0% in 2010.

Trends in absolute sterfte deels verklaard door vergrijzing

Trends in absolute sterfte worden voor een deel verklaard door de vergrijzing. Voor het bestuderen van trends is het daarom zinvol om te corrigeren voor verschillen in omvang en leeftijdssamenstelling van de bevolking (standaardiseren). In de periode 1980-2010 daalde de gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten voor zowel mannen als voor vrouwen sterk (63% daling voor mannen en 55% voor vrouwen). De gestandaardiseerde sterfte aan kanker voor mannen is in dezelfde periode met 26% gedaald en voor vrouwen met 5% (zie figuur 2).

Sterfte aan coronaire hartziekten en beroerte sterk gedaald

Coronaire hartziekten en beroerte laten over de periode 1980-2010 een sterke daling zien in de gestandaardiseerde sterfte, zowel voor mannen als vrouwen. Voor longkanker zien we bij mannen bijna een halvering van de sterfte terwijl bij vrouwen de sterfte juist sterk is gestegen (260%). Deze trend is te relateren aan het rookgedrag in het verleden: mannen zijn in de periode 1960-1990 minder gaan roken en vrouwen meer. De stijgende trend bij dementie in de periode 1998-2002 is waarschijnlijk toe te schrijven aan veranderde codeerregels bij het CBS. Bij diabetes mellitus is de trend minder betrouwbaar omdat diabetes vaak niet als primaire doodsoorzaak geregistreerd wordt. Voor de meest voorkomende doodsoorzaken in 2010 zijn in tabel 1 de trends over de periode 1980-2010 beschreven.

Sterfte aan sepsis en slokdarmkanker sterk gestegen

Voor een aantal minder vaak voorkomende doodsoorzaken zijn ook duidelijke trends zichtbaar. Zo is de sterfte aan sepsis in de periode 1980-2010 meer dan verdrievoudigd en de sterfte aan slokdarmkanker verdubbeld. De sterfte door verkeersongevallen is in de periode 1980-2010 met ongeveer 75% gedaald. De daling was het grootst in de jaren tachtig maar ook de laatste jaren is de sterfe door verkeersongevallen nog sterk gedaald. Voor aids is de sterfte voor mannen in de periode 1983-1994 sterk gestegen, van 1994 tot 2000 sterk gedaald en na 2000 nog licht gedaald. Voor vrouwen is eenzelfde patroon te zien, maar was de sterfte aan aids in alle jaren veel lager.

Voor de resultaten van de analyse van de sterfte over de periode 1997-2007 die in de VTV-2010 zijn gepresenteerd zie: object_document_1Wat zijn de belangrijkste trends in sterfte? en Hoeymans et al., 2010.

Meer informatie over de trends in de sterfte ten gevolge van een ziekte en eventuele verklaringen voor de trends is te vinden bij de betreffende ziekte in het Kompas.

Figuur 1: Absolute sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten in de periode 1980-2010 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).

Absolute sterfte in 1980-2010 naar geslacht voor kanker en hart- en vaatziekten

Figuur 2: Sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten in de periode 1980-2010, gestandaardiseerd naar de gemiddelde bevolking van Nederland in 1990 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek; gegevens bewerkt door RIVM).

Gestandaardiseerde sterfte (geïndexeerd) in 1980-2010 naar geslacht voor kanker en hart- en vaatziekten

Tabel 1: Sterfte in 2010 en beschrijving van de trends in de gestandaardiseerde sterfte over de periode 1980-2010 van de tien 'VTV-ziekten' met in 2010 het grootste aantal sterfgevallen (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek; gegevens bewerkt door het RIVM) Ordening in tabel is op basis van de totale sterfte in 2010.

Absolute sterfte

Trend over de periode 1980-2010

Ziekte/aandoening

mannen

vrouwen

totaal

mannen

vrouwen

Coronaire hartziekten

6.004

4.378

10.382

Daling met ruim 75%.

Daling met 75%.

Longkanker

6.536

3.678

10.214

Daling met bijna 50%.

Stijging met ruim 260%. De laatste jaren is de stijging afgevlakt.

Dementie

2.513

6.501

9.014

Stijging in 1998-2002 met ongeveer 40%, daarna vrijwel constant.

Stijging in 1998-2002 met ongeveer 40%, daarna vrijwel constant.

Beroerte

3.488

5.425

8.913

Daling met ruim 63%.

Daling met bijna 60%

Hartfalen

2.623

4.289

6.912

Grillig verloop tot 1996, daarna constant.

Grillig verloop tot 1996, daarna constant.

COPD

3.288

2.696

5.984

Stijging tot 1990 met circa 35% en vanaf 1995 een halvering.

In de jaren tachtig en negentig verdubbeling, daarna vrijwel constant.

Infecties van de onderste luchtwegena

2.709

3.066

5.775

Stijging met ongeveer 70% in de jaren negentig, na 2000 daling tot het niveau van 1980.

Stijging met ongeveer 50% in de jaren negentig, na 2000 daling tot iets onder het niveau van 1980.

Dikkedarmkanker

2.691

2.420

5.111

Daling met 10%.

Daling met 25%.

Borstkanker (vrouwen)

3.213

3.213

Eerst vrijwel constant, vanaf 2000 daling met 25%.

Diabetes Mellitus

1.382

1.620

3.002

Grillig verloop, daling sinds 2001.

Grillig verloop, daling sinds 2001.

a) De trend die beschreven wordt betreft longontsteking (J12-J18). De gepresenteerde aantallen betreffen alle infecties van de onderste luchtwegen.

Naar boven

.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

CBS
Centraal Bureau voor de Statistiek
URL: http://www.cbs.nl

Definities

Gestandaardiseerde sterfte
Bij het gestandaardiseerd sterftecijfer zijn de effecten van de verschillen in de samenstelling van de bevolking naar omvang en leeftijd tussen de diverse jaren uitgeschakeld. De gemiddelde bevolking naar omvang en leeftijd van Nederland over 1990 heeft als standaardbevolking gediend.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.