Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Lichamelijk functioneren
Omvang van het probleem

Welke zorg gebruiken mensen met beperkingen?

Zorg Zorggebruik

Zorg

Beperkingen leiden niet altijd tot zorggebruik

Niet iedereen met beperkingen doet een beroep op zorgvoorzieningen (De Klerk & Schellingerhout, 2006). Veel mensen redden zich eerst zo lang mogelijk zonder hulp of doen een beroep op hun eigen netwerk. Dit geldt zeker voor de eerste paar maanden dat iemand hulp nodig heeft (er wordt dan gesproken over gebruikelijke zorg). Maar er kunnen ook andere redenen zijn om een voorziening wel nodig te vinden, maar deze niet aan te vragen. Zo kunnen mensen niet weten waar zij naartoe moeten met een bepaalde hulpvraag, zien ze op tegen de administratieve procedures of menen zij niet voor een voorziening in aanmerking te komen. Gezondheidskenmerken, persoons- (leeftijd) en situationele (woonvorm) kenmerken zijn van invloed op het gebruik van zorg.

Vooral langdurige zorg

Indien mensen met beperkingen een beroep doen op de zorg, betreft dit vooral langdurige zorg. Deze zorg kan in instellingen worden geleverd, maar ook in de eigen woongeving. Het merendeel van de mensen met een beperking verblijft buiten een instelling. De zorg voor deze mensen is erop gericht dat men zo goed mogelijk ondersteund wordt bij zijn beperkingen. Een belangrijk doel van deze ondersteuning is het bevorderen van de zelfredzaamheid. Voorbeelden van zorgvormen die vooral van toepassing zijn bij mensen met lichamelijke beperkingen zijn hulpmiddelen, hulp in het huishouden, persoonlijke verzorging, revalidatie, fysiotherapie, domotica en informele zorg. De zorgvorm en de duur ervan hangt af van de aard en de ernst van de beperking. Daarnaast hebben mensen met beperkingen ook contact met onder andere de huisarts en de specialist, omdat beperkingen vaak het gevolg van ziekten en aandoeningen zijn.

Hulpmiddelen ter compensatie van lichamelijke beperkingen

Hulpmiddelen kunnen in zekere mate beperkingen compenseren. Voorbeelden hiervan zijn visueel/auditieve hulpmiddelen, orthesen/schoenvoorzieningen, aanpassingen in de woning en hulpmiddelen voor de mobiliteit, zoals looprek en rolstoel. Tweederde van de mensen die gebruik maken van medische hulpmiddelen, zegt dat het verstrekte hulpmiddel het probleem, waarvoor het is bedoeld, oplost (Westert et al., 2008).


Zorggebruik

Hierna maken we een onderscheid tussen het gebruik van hulpmiddelen in de algemene bevolking (POLS, gezondheid en welzijn) en het zorggebruik van mensen met matige of ernstige beperkingen. De gegevens over deze laatste groep zijn afkomstig uit het Nationaal Chronisch Zieken en Gehandicaptenpanel (NPCG).

Drie op de vijf mensen heeft een bril of contactlenzen

In de algemene bevolking wordt het meest gebruik gemaakt van een hulpmiddel bij het zien of lezen (POLS, gezondheid en welzijn). Bijna 60% van de mensen ouder dan vier jaar had in 2008 een bril of contactlenzen (zie tabel 1). Vooral ouderen maken gebruik van hulpmiddelen. Van de personen ouder dan 65 jaar had een op de vijf in 2008 een hulpmiddel bij het bewegen zoals een rolstoel, looprek of stok en een op de zes een hulpmiddel bij het horen. Oudere vrouwen hadden in 2008 twee keer zo vaak een hulpmiddel bij het bewegen als oudere mannen. Oudere mannen hadden juist vaker een gehoorapparaat of een apparaat voor geluidsversterking (Wingen, 2009).

Medisch en paramedisch zorggebruik hoger dan in algemene bevolking

Mensen met matige of ernstige beperkingen maken gemiddeld meer gebruik van huisartsen-, specialisten- en ziekenhuiszorg dan mensen in de algemene bevolking (zie tabel 1). Dit geldt voor mensen met een ernstige beperking ook nog weer meer dan voor mensen met een matige beperking (Lemmens et al., 2008). Bijna de helft van de mensen met een beperking heeft contact met een fysiotherapeut. In 2006 had deze groep gemiddeld 26,2 fysiotherapiebehandelingen per persoon.

Bijna helft heeft professionele hulp aan huis

Van de mensen met matige of ernstige lichamelijke beperkingen maakt bijna de helft in 2007 gebruik van huishoudelijke hulp of andere professionele zorg (verpleging, verzorging of begeleiding) aan huis (Marangos et al., 2008). Gemiddeld hebben mensen met beperkingen vier uur per week professionele hulp thuis. Van de mensen met hulp bij het huishouden heeft de helft particuliere of informele hulp. Een kwart van de mensen met matige en ernstige lichamelijke beperkingen ontvangt huishoudelijke hulp via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Bijna helft maakt gebruik van informele zorg

In 2007 maakte bijna de helft van de mensen met matige of ernstige beperkingen gebruik van informele zorg (Marangos et al., 2008). In tweederde van de gevallen ging het om een periode langer dan drie maanden. De informele zorg betreft huishoudelijke hulp (39%), verzorging/verpleging (13%) en het regelen van zaken (16%). Tweederde van de informele zorg wordt door de partner geleverd eventueel aangevuld met hulp van onder andere uitwonende familieleden, buren, vrienden.

Merendeel heeft aanpassing of hulpmiddel

Vier op de vijf mensen met matige of ernstige beperkingen had in 2006 een aanpassing of hulpmiddel tot zijn beschikking (Lemmens et al., 2008). Visuele hulpmiddelen komen het vaakst voor, gevolgd door loophulpmiddelen en woningaanpassingen (zie tabel 3). Hulpmiddelen kunnen worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (bijvoorbeeld bril, rollator, prothesen), de AWBZ (bijvoorbeeld benodigdheden voor verpleging) en de Wmo (bijvoorbeeld woningaanpassingen, rolstoel, scootmobiel). Van de mensen met matige of ernstige beperkingen maakte in 2007 de helft gebruik van hulpmiddelen en aanpassingen via de Wmo (Marangos et al., 2008). Dit betreft vooral woningaanpassingen en scootmobiel/speciale fiets. Van de mensen met een beperking gebruiken mensen met een ernstige beperking, ouderen, hoger opgeleiden en alleenwonenden vaker een of meer van dergelijke voorzieningen dan mensen met een matige beperking, mensen jonger dan 65 jaar, midden en lager opgeleiden en mensen met een beperking uit een meerpersoonshuishouden.

Tabel 1: Percentage gebruikers van hulpmiddelen in de algemene bevolking in 2008 naar leeftijd (Bron: POLS, gezondheid en welzijn).

0-14

16-24

25-44

45-65

65+

Totaal

Auditieve hulpmiddelen a

0,1

0,1

0,6

2,2

17,2

3,4

Visuele hulpmiddelen a

13,0

33,3

43,3

90,0

97,8

59,3

Hulpmiddelen voor het bewegen b

0,9

0,5

0,5

2,6

20,5

4,8

Anatomische hulpmiddelen b

4,0

3,7

3,2

5,6

9,9

5,3

Incontinentiehulpmiddelen b

0,7

0,0

1,0

2,9

12,5

3,6

a Voor personen van vier jaar en ouder.

b Voor personen van twaalf jaar en ouder.

Tabel 2: Percentage mensen met matige of ernstige beperkingen en percentage van de algemene bevolking dat in 2006 contact had met een zorgaanbieder a (Bron: Lemmens et al., 2008, POLS, gezondheid en welzijn).

Zorgaanbieder

Mensen met beperking (in %)

Algemene bevolking (in %)

Huisarts

92

74

Medisch specialist

82

42

Ziekenhuisopname

24

8

Fysiotherapeut

47

18b

a Er is niet gecorrigeerd voor eventuele verschillen in sociaal-demografische kenmerken tussen de onderzoekspopulatie en de algemene bevolking, bijvoorbeeld in leeftijds- en geslachtsverdeling. De gegevens over de algemene bevolking betreffen personen van vijftien jaar en ouder.

b Dit is inclusief oefentherapie.

Tabel 3: Toptien van hulpmiddelen en aanpassingen van mensen met een beperking (Bron: Lemmens et al., 2008).

Soort hulpmiddel

%

1

Visueel hulpmiddel

54

2

Loophulpmiddelen

25

3

Woningaanpassingen

22

4

Scootmobiel of aangepaste fiets

19

5

Steunzolen

16

6

Incontinentiemateriaal

13

7

Aangepast meubilair

13

8

Elastische kousen

12

9

Orthopedische schoenen

11

10

Hulpmiddelen voor persoonlijke verzorging

11

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

AWBZ
Algemene wet bijzondere ziektekosten
Wmo
Wet maatschappelijke ondersteuning
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.