U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Bevolking›Sterfte›Sterfte samengevat
In 2010 overleden in Nederland 136.058 personen, waarvan 65.977 mannen en 70.081 vrouwen. Dat er meer vrouwen overlijden dan mannen komt ondermeer doordat er meer oudere vrouwen zijn. Ondanks het feit dat er meer vrouwen overlijden dan mannen is de kans op overlijden voor mannen groter. Dit geldt voor bijna alle leeftijden. De verschillen zijn het grootst in de leeftijdsgroepen van 20-24 jaar en 60-84 jaar. In de jongere leeftijdsgroep wordt het verschil grotendeels veroorzaakt door een hogere sterfte van mannen aan ongevallen en zelfdoding. In de oudere leeftijdsgroep veroorzaken longkanker, coronaire hartziekten, beroerte en chronische obstructieve longziekten (COPD) een hogere sterfte onder mannen.
De gestandaardiseerde sterfte in 2009 voor Nederlandse vrouwen ligt net onder het gemiddelde in de EU-27 en is iets hoger dan het gemiddelde van de EU-15. Voor mannen is de sterfte bijna gelijk aan het gemiddelde van de EU-15, maar wel lager dan de gemiddelde sterfte in de EU-27.
Tussen 2007 en 2010 is de absolute sterfte licht gestegen. In de jaren daarvoor (2002-2007) daalde de sterfte ondermeer door gunstige weersomstandigheden en het ontbreken van grote griepgolven. In de periode 1950-2002 is de totale absolute sterfte bijna verdubbeld.
De gestandaardiseerde sterfte is tussen 1950 en 2010 gedaald met 54% onder vrouwen en met 43% onder mannen. De sterftedaling onder mannen vond voornamelijk plaats tussen 1975 en 2010. De sterfte onder vrouwen daalde het sterkst in de perioden 1950-1980 en 2002 en 2010. De grootste sterftedaling in de periode 1950-2010 vond plaats onder 0- tot en met 14-jarigen. Dit komt vooral door de daling van de sterfte onder nul-jarigen. Onder nul-jarigen is de sterfte tussen 1950 en 2010 afgenomen met ongeveer 85 procent voor zowel jongens als meisjes
De sterftekans van niet-westerse allochtonen ligt gemiddeld hoger dan die van autochtonen. Per leeftijdscategorie bekeken, is een meer gevarieerd patroon zichtbaar. Vanaf ongeveer 45-jarige leeftijd hebben Marokkaanse mannen een lagere sterftekans dan autochtone mannen. Ook vrouwen van middelbare leeftijd behorend tot de vier onderscheiden allochtone groepen hebben een sterftekans die vergelijkbaar is met, of lager is dan die van autochtone vrouwen. De verschillen in de sterftekansen naar herkomst zijn in de periode 2002-2006 afgenomen ten opzichte van de periode 1996-2001.
De absolute sterfte zal door de naoorlogse geboortegolf naar verwachting verder toenemen van 136.000 in 2010 naar ruim 214.000 in 2052. Deze toename heeft te maken met de groei en vergrijzing van de bevolking in Nederland. De voor leeftijd en omvang van de Nederlandse bevolking gecorrigeerde sterfte zal naar verwachting verder dalen.