U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Bevolking›Sterfte›Sterfte: Wat is de huidige situatie?
In 2010 overleden in Nederland 136.058 personen, waarvan 65.977 mannen en 70.081 vrouwen. Dit komt overeen met 802 per 100.000 mannen en 835 per 100.000 vrouwen. In 2010 was de meestvoorkomende leeftijd van overlijden 87 jaar. Dit waren 5.129 personen: 3,8% van alle sterfgevallen. De opvallend hoge sterfte op 63-jarige leeftijd (zie figuur 1) komt doordat er meer mensen van 63 jaar waren. Dat is een gevolg van de geboortepiek meteen na de Tweede Wereldoorlog (zie ook Geboorte: Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden?). De minste sterfgevallen kwamen voor bij achtjarigen. Het betrof 12 kinderen, waarvan 8 jongens en 4 meisjes. In 2010 stierven 695 kinderen voor hun eerste verjaardag. De gemiddelde leeftijd van overlijden was in 2010 voor mannen 74,0 jaar en voor vrouwen 79,6 jaar.
Absoluut gezien overleden in 2010 tot en met de leeftijd van 81 jaar op bijna iedere leeftijd meer mannen dan vrouwen. Vanaf 82-jarige leeftijd overleden er meer vrouwen dan mannen (zie figuur 1). Er waren in 2010 meer vrouwen dan mannen met hoge leeftijd (zie ook Bevolking: Wat is de huidige situatie?). Dat is de belangrijkste reden waarom er meer vrouwen dan mannen overleden.
In figuur 2 is de relatieve sterfte per 100.000 mannen of vrouwen uitgezet tegen de leeftijd in jaren (voor de periode 2006-2010). De relatieve sterfte kan worden opgevat als de sterftekans. Zowel bij mannen als vrouwen stijgt de sterftekans vanaf de puberteit exponentieel. Op bijna alle leeftijden hebben mannen een grotere kans om te overlijden dan vrouwen. Onder de 15 jaar is de sterftekans voor jongens en meisjes vrijwel gelijk (zie ook figuur 3).
In de leeftijdsklasse 20-24 jaar is in de periode 2006-2010 de sterftekans van mannen op iedere leeftijd meer dan twee keer zo groot als die van vrouwen (zie figuur 3). Dit verschil komt voornamelijk door een hogere sterfte onder mannen door ongevallen en zelfdoding. In de periode 2006-2010 overleden in de leeftijdsgroep 20-24 jaar 1.182 mannen en 487 vrouwen. Een verschil dus van 695 doden. In de periode 2006-2010 overleden 677 mannen van 20-24 jaar en 161 vrouwen ten gevolge van een ongeval of zelfdoding. Hiermee is het verschil dus voor het grootste deel verklaard.
De sterftekans van mannen in de leeftijdscategorie 62-84 jaar is voor iedere leeftijd meer dan anderhalf keer zo groot als die van vrouwen (zie figuur 3). Dit is vooral het gevolg van een hogere relatieve sterfte onder mannen in die leeftijdsklasse aan longkanker, coronaire hartziekten, beroerte en COPD.
Figuur 1: Absolute sterfte naar leeftijd (éénjaarsklassen, hoogste leeftijd is 99+) in 2010 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek).
Figuur 2: Relatieve sterfte per 100.000 mannen of vrouwen naar leeftijd (éénjaarsklassen, hoogste leeftijd is 99+) over de periode 2006-2010 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, bewerkt door het RIVM).
Figuur 3: Sterfteratio a mannen versus vrouwen naar leeftijd (éénjaarsklassen) in de periode 2006-2010 (Bron: CBS Doodsoorzakenstatistiek, bewerkt door het RIVM).
a Sterfte per 100.000 mannen gedeeld door de sterfte per 100.000 vrouwen.