U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Bevolking›Huishoudens›Huishoudenssamenstelling samengevat
Op 1 januari 2009 telde Nederland 7,3 miljoen huishoudens, met een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,2 personen. In 2009 woonden 207.000 mensen in een zogenaamd institutioneel huishouden zoals verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen en gezinsvervangende tehuizen. De gemiddelde huishoudensgrootte van meerpersoonshuishoudens is 2,9 personen.
Een derde van alle huishoudens bestaat uit één persoon, wat neerkomt op 16% van de bevolking. Het alleenstaan is zeer onregelmatig verdeeld over de leeftijd met verschillende oorzaken. Voor jongvolwassenen is het meestal een tijdelijke leefvorm, tussen het verlaten van het ouderlijk huis en het gaan samenwonen. Op middelbare leeftijd is het meestal een gevolg van (echt)scheiding. Op hogere leeftijd is het alleenstaan meestal een gevolg van sterfte van de partner.
In de noordwestelijke helft van Nederland wonen relatief meer alleenstaanden dan in de zuidoostelijke helft. Daarnaast wonen vooral in de universiteitssteden relatief veel alleenstaanden. Vergeleken met andere landen in de Europese Unie heeft Nederland een hoog percentage alleenstaanden. Ook het percentage ongehuwd samenwonenden is in Nederland relatief hoog.
Het aantal huishoudens groeide van 1,1 miljoen in 1900 tot 7,3 miljoen in 2009. Tegelijkertijd is de gemiddelde huishoudensomvang flink teruggelopen: van 4,5 in 1900 naar 2,2 in 2009. Het aantal eenpersoonshuishoudens steeg sterk van nog geen 100.000 in 1900 tot 2,6 miljoen in 2009.
De gemiddelde huishoudensgrootte zal verder dalen van 2,2 in 2009 tot 2,1 rond 2050. Het aantal huishoudens zal toenemen van 7,3 miljoen in 2009 tot 8,3 miljoen rond 2039, daarna blijft het aantal huishoudens vrijwel constant. De groei van het aantal huishoudens komt voornamelijk doordat het aantal eenpersoonshuishoudens zal toenemen.
In de toekomst zijn relatief meer ouderen alleenstaand en minder ouderen samenwonend. Ook stijgt in de toekomst het percentage ouderen dat zelfstandig woont en daalt het percentage ouderen dat woont in een institutioneel huishouden (vooral verzorgingshuizen en verpleeghuizen). De totale vraag naar plaatsen in verzorgingshuizen en verpleeghuizen neemt naar verwachting toe rond 2020, omdat het absolute aantal ouderen sterk zal toenemen.
Gehuwde mensen leven langer dan nooit-gehuwden en mensen die gescheiden of verweduwd zijn. Voor mannen geldt dit sterker dan voor vrouwen. De lagere sterftekans voor gehuwden geldt niet alleen voor belangrijke doodsoorzaken als kanker en hartaanvallen, maar voor nagenoeg alle doodsoorzaken. Ook bestaan er grote verschillen in zorggebruik afhankelijk van het type huishouden waarin mensen wonen. Gescheidenen en leden van eenpersoonshuishoudens maken meer gebruik van de gezondheidszorg.