Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Geboorte
Heden, verleden en toekomst

Geboorte: Zijn er verschillen naar etniciteit?

Kindertal gelijk onder autochtonen en niet-westerse allochtonen

Het gemiddeld kindertal van niet-westers allochtone vrouwen in Nederland is ongeveer gelijk aan dat van autochtone vrouwen. Onder autochtone vrouwen was het kindertal in 2009 1,8 en onder niet-westerse allochtonen 1,9. Het vruchtbaarheidscijfer verschilt afhankelijk van het geboorteland van de moeder. Van de vier grootste groepen niet-westerse allochtonen in Nederland ligt het kindertal van Marokkaanse vrouwen het hoogst, gevolgd door Antilliaanse/Arubaanse (zie figuur 1). Turkse en Surinaamse vrouwen hebben een iets lager kindertal dan autochtone vrouwen. Het hogere aantal levendgeborenen onder niet-westers allochtone vrouwen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de hogere vruchtbaarheid op jonge leeftijd. Vanaf dertigjarige leeftijd is het verschil in vruchtbaarheid niet groot meer (Garssen & Nicolaas, 2006) en dat heeft een verlagend effect op geboortecijfers.

Kindertal allochtonen gedaald, kindertal autochtonen gestegen

In de afgelopen vijftien jaar is het gemiddeld kindertal bij de niet-westers allochtone bevolking iets gedaald en bij de autochtone bevolking iets gestegen (zie figuur 2). Had een Marokkaanse vrouw in 1996 nog gemiddeld 3,3 kinderen, in 2009 was dit 2,6 kinderen. Ook bij Turkse vrouwen is een dalende trend zichtbaar: het gemiddeld kindertal per vrouw daalde tussen 1996 en 2009 van 2,3 naar 1,7 kinderen per vrouw. Onder autochtone vrouwen steeg het kindertal juist iets in de afgelopen vijftien jaar (van 1,5 in 1996 naar 1,8 in 2009). Dat laatste heeft vooral te maken met het einde van het uitstelgedrag, dat zich bij de autochtone groep als eerste manifesteert. Zie ook: Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden?

Tienergeboorten bij allochtone vrouwen in versnelde mate afgenomen

Het aantal tienergeboorten is de laatste jaren bij alle bevolkingsgroepen afgenomen, bij niet-westerse allochtone vrouwen zelfs in versnelde mate (Garssen, 2008a). Het verschil in vruchtbaarheid tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen is het grootste bij meisjes onder de twintig jaar. In 1996 kwamen tienergeboorten ongeveer zes keer zo vaak voor bij allochtone vrouwen als bij autochtone vrouwen. In 2009 was dit teruggelopen tot ruim twee keer zo vaak (zie figuur 3). De meeste tienergeboorten komen voor bij eerste generatie allochtone vrouwen.

Zie ook:

Figuur 1: Gemiddeld kindertal per herkomstgroepering, 2009 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Figuur 1: Gemiddeld kindertal naar herkomstgroepering

Figuur 2: Gemiddeld kindertal per vrouw (autochtonen en niet-westerse allochtonen) per kalenderjaar, 1996-2009 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Figuur 2: kindertal van autochtonen en allochtonen

Figuur 3: Levendgeborenen per duizend van de gemiddelde vrouwelijke bevolking van jonger dan twintig jaar van de betreffende herkomstgroepering (autochtonen en allochtonen), 2009 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Figuur 3: levendgeborenen onder vrouwen onder 20 jaar (autochtonen en allochtonen)
.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Garssen J, Nicolaas H.Recente trends in de vruchtbaarheid van niet-westerse allochtone vrouwen. Den Haag/Heerlen: CBS Bevolkingstrends, 2006; 1ste kwartaal: 15-31.
  • Garssen J.Sterke daling geboortecijfer niet-westers allochtone tieners. CBS Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. Den Haag/Heerlen, 2008a.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.