Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Geboorte
Heden, verleden en toekomst

Geboorte: Zijn er verschillen naar sociaaleconomische status?

Hoogopgeleide vrouwen krijgen later eerste kind

Hoogopgeleide vrouwen krijgen op latere leeftijd hun eerste kind dan laagopgeleide vrouwen. Laagopgeleide moeders die geboren zijn tussen 1960-1964 kregen hun eerste kind toen ze gemiddeld 25,5 jaar oud waren. Middelbaar opgeleide vrouwen uit dit cohort waren gemiddeld 28,3 jaar en hoogopgeleiden 31,0 jaar (Van Agtmaal-Wobma & Van Huis, 2008). De leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen, is voor een aantal opeenvolgende cohorten vrouwen onderzocht (zie ook: Vruchtbaarheid gemeten in kalenderjaren en in geboortegeneraties). Het oudste cohort bestaat uit vrouwen die geboren zijn tussen 1945 en 1949 en het jongste cohort betreft 1965-1969. Overigens waren vrouwen uit dit jongste cohort in 2006 nog geen 50 jaar oud, waardoor gegevens over vruchtbaarheid niet volledig zijn voor dit cohort. Het opleidingsniveau is hier gebruikt als een indicator voor de sociaaleconomische status (zie ook: Interne link naar documentWat is sociaaleconomische status? en Interne link naar documentBeschrijving opleidingscategorieën).

Uitstel moederschap bij alle opleidingsgroepen

Vrouwen van elk opleidingsniveau hebben het moederschap uitgesteld in vergelijking met het voorgaande cohort. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind kregen, is echter het minst gestegen bij laagopgeleide vrouwen. Hierdoor is het verschil in de gemiddelde leeftijd bij het krijgen van het eerste kind in de loop van de tijd groter geworden. Voor het cohort 1945-1949 was er nog een verschil van 3,7 jaar tussen laag- en hoogopgeleiden en voor het cohort 1960-1964 was dit verschil opgelopen naar 5,5 jaar (Van Agtmaal-Wobma & Van Huis, 2008).

Meer hoogopgeleiden kinderloos

Bij vrouwen met een hogere opleiding komt meer kinderloosheid voor (zie figuur 1). Van de hoogopgeleide vrouwen ouder dan 45 jaar is ongeveer 27% kinderloos. Dit geldt voor alle onderzochte cohorten. Onder laagopgeleide vrouwen van deze leeftijd is het aandeel kinderlozen kleiner, maar het aandeel is per cohort wel toegenomen. Bleef nog geen 10% van de laagopgeleide vrouwen uit 1945-1949 kinderloos, onder vrouwen uit 1960-1964 is dat aandeel 15% (Van Agtmaal-Wobma & Van Huis, 2008). Doordat het aandeel kinderlozen onder laagopgeleiden is gestegen terwijl dat onder hoogopgeleiden gelijk is gebleven, zijn de verschillen tussen opleidingsniveaus kleiner geworden.

De stijging van kinderloosheid in Nederland is deels toe te schrijven aan de laagopgeleide vrouwen. Daarnaast is de samenstelling van cohorten naar opleidingsniveau in de loop van de tijd veranderd: in de jongere cohorten zijn steeds meer vrouwen hoog opgeleid, en deze vrouwen zijn vaker kinderloos.

Hoogopgeleiden krijgen minder kinderen

Voor alle onderzochte cohorten geldt dat hoogopgeleiden minder kinderen krijgen dan middelbaar opgeleiden en laagopgeleiden. Over het algemeen krijgen hoogopgeleide vrouwen iets minder kinderen. Daarnaast zijn ze vaker kinderloos dan laagopgeleiden. Vooral hierdoor is het gemiddeld kindertal per vrouw lager onder hoogopgeleiden. Hoogopgeleide vrouwen uit het cohort 1960-1964 kregen gemiddeld 1,63 kinderen en laagopgeleiden uit dit cohort kregen 1,99 kinderen. Hoogopgeleide vrouwen uit het oudste cohort 1940-1945 kregen gemiddeld 1,60 kinderen en laagopgeleiden 2,06 (Van Agtmaal-Wobma & Van Huis, 2008).

Zie ook:

Figuur 1: Aandeel kinderloze vrouwen naar hoogst voltooid opleidingsniveau a per geboortecohort, 1 januari 2007 (Van Agtmaal-Wobma & Van Huis, 2008).

Figuur 1 Aandeel kinderloze vrouwen naar opleidingsniveau

a Indeling onderwijsniveau: laag: lagere school, lbo, mavo; middelbaar: havo, vwo, mbo; hoog: hbo, universiteit.

.

Bronnen en Literatuur

Literatuur

  • Agtmaal-Wobma E van, Huis M van.De relatie tussen vruchtbaarheid en opleidingsniveau van de vrouw. Voorburg/Heerlen: CBS, 2008.

Begrippen en afkortingen

Afkortingen

SES
Sociaaleconomische status
Positie die iemand inneemt in de sociale hiërarchie, gemeten aan de hand van opleiding, inkomen of beroepsstatus.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.11, 28 maart 2013
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.