Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
Nationaal Kompas Volksgezondheid
Geboorte
Heden, verleden en toekomst

Geboorte: Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden?

Aantal kinderen en geboorten Leeftijd moeder Samenleefvorm moeder

Aantal kinderen en geboorten

20ste eeuw: de babyboom en andere ontwikkelingen

Figuur 1 toont de schommelingen in het aantal levendgeborenen vanaf 1900 als gevolg van de babyboom en allerlei andere ontwikkelingen. Tussen 1900 en 1940 waren er gemiddeld 175.000 levendgeborenen per jaar. Na de Tweede Wereldoorlog steeg het aantal fors: in het jaar 1946 werd het record van 284.000 levendgeborenen bereikt. Dat jaar markeert tevens het begin van de naoorlogse babyboom die tot de jaren zeventig voortduurde. Vanaf de jaren zeventig is het aantal levendgeborenen snel gedaald. 1983 is het jaar met het laagste aantal levendgeborenen (170.000), ongeveer hetzelfde aantal als voor de babyboom. Secularisatie, emancipatie, individualisatie en de beschikbaarheid van de anticonceptiepil speelden hierin een belangrijke rol (Van Nimwegen & Beets, 1994).

Na 1983 is het aantal levendgeborenen weer licht gestegen tot 207.000 in het jaar 2000. In dat jaar werden er veel kinderen geboren bij ouders uit de geboortegolf van 1970. Ook was het economische klimaat gunstig (Van Duin, 2009).

2008-2009: lichte opleving na jarenlange geboortedaling

Na een jarenlange daling van het aantal geboorten in 2000-2007, is het aantal geboorten in 2008 en 2009 licht gestegen. Na 2000 daalde het aantal geboorten van 204.000 tot 179.000 in 2007. In 2008 en 2009 was het aantal geboorten 182.000 en werden er respectievelijk 3.300 en 3.600 meer kinderen geboren dan in 2007. De stijging komt doordat onder de groep vruchtbare vrouwen het moederschap niet langer uitgesteld wordt; de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind stijgt de laatste jaren namelijk niet meer. Ook speelde het gunstige economische klimaat in 2006 en 2007 een rol bij de toename van het aantal geboorten (CBS, 2008i). De daling van het aantal geboorten in 2000-2007 komt vooral door de afname van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd (De Graaf, 2007).

In 2010 is een zeer lichte daling te zien van het aantal geboorten. Verwacht wordt dat het aantal geboorten de komende jaren zal afnemen. Zie Interne link naar documentWat zijn de verwachtingen voor de toekomst.

2002-2010: daling aantal en aandeel meervoudige geboorten

Tussen 2002 en 2010 is het aantal meervoudige geboorten gedaald, van 3.769 in 2002 naar 3.018 in 2010. Er werden vooral minder (twee-eiige) tweelingen geboren (Garssen, 2008b, Wobma & Garssen, 2011; CBS StatLine, 2011). De dalende trend hangt samen met de daling van het gemiddelde aantal geplaatste embryo's bij IVF-behandelingen. Zo wordt de laatste jaren vaker slechts één eicel teruggeplaatst bij een IVF-behandeling, wat leidt tot minder tweelingen. Het percentage meerlingen na IVF daalde van 21,7% in 2003 naar 10,5% in 2009 (NVOG, 2010; Wobma & Garssen, 2011).

Sterfte voor en kort na de geboorte afgenomen

Het aandeel kinderen dat stierf voor of kort na de geboorte (perinatale sterfte) was midden jaren zeventig bijna driemaal zo groot als tegenwoordig. Sindsdien is de perinatale sterfte afgenomen. Gaat men uit van een zwangerschapsduur van 28 weken of meer, dan stierven er in 2009 4,9 per 1.000 kinderen voor of kort na de geboorte, terwijl het in 1975 nog 13,9 per 1.000 bedroeg (CBS StatLine, 2011). Kijken we naar de perinatale sterfte bij een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken, dan was de sterfte nog 10,2 kinderen per 1.000 in 1991 tegenover 5,7 per 1.000 in 2009 (CBS StatLine, 2011). Zie verder: Interne link naar documentNeemt de sterfte rond de geboorte toe of af?.

Figuur 1: Aantal levendgeborenen, 1900-2010 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Aantal levendgeborenen, 1900-2010

Figuur 2: Gemiddeld kindertal per vrouw per kalenderjaar, 1950-2010 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Gemiddeld kindertal per vrouw per kalenderjaar, 1950-2010

Vruchtbaarheid gedaald, sinds eeuwwisseling redelijk stabiel

Het vruchtbaarheidscijfer schommelt sinds de eeuwwisseling rond 1,75 en lag de afgelopen drie jaar tussen 1,77 en 1,80 (zie figuur 2). In de jaren voor 1965 lag het gemiddeld kindertal per vrouw nog boven de drie.

Het huidige vruchtbaarheidscijfer ligt overigens ruim onder het vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw dat nodig is om de huidige generaties mannen en vrouwen volledig te vervangen.

Net als bij vrouwen is ook bij mannen het kindertal met de generaties gedaald (CBS, 2009h). Bij mannen is het kindertal met 1,72 echter wel iets lager dan bij vrouwen (Wobma & Van Huis, 2010).

Aandeel kinderloze mannen en vrouwen gestegen

Het komt steeds vaker voor dat vrouwen en mannen kinderloos blijven. Van de vrouwen uit de generatie 1945-1949 is 14% kinderloos gebleven tegenover 19% van de vrouwen uit 1960-1964 (Wobma & Van Huis, 2010). Iets meer dan de helft van de kinderloze vrouwen is vrijwillig kinderloos (Wobma & Van Huis, 2010). De kinderloosheid is onder mannen sterker gestegen dan onder vrouwen. Dit komt doordat mannen vaker geen partner hebben vergeleken met vrouwen (Van Huis & Wobma, 2010). De kinderloosheid was 16% onder mannen uit 1945-1949 tegenover 26% bij mannen uit 1960-1964 (Van Huis & Wobma, 2010). Deze 26% kan nog wel dalen omdat de mannen uit deze jaren nog kinderen kunnen krijgen.

Naar boven


Leeftijd moeder

Sinds 1950 grote veranderingen in timing moederschap

In de afgelopen zestig jaar zijn grote veranderingen opgetreden in het moment waarop vrouwen hun kinderen krijgen. Dit is zichtbaar in de ontwikkeling van de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind (zie figuur 3):

  • In de jaren vijftig en zestig was er een bijna ononderbroken daling van de leeftijd. Deze 'verjonging' van het moederschap duurde tot circa 1970, toen vrouwen gemiddeld iets ouder dan 24 jaar waren bij de eerste geboorte.
  • Na 1970 begon de leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind snel te stijgen. Dit kwam doordat men massaal kleinere gezinnen wenste te realiseren. Met behulp van anticonceptie die in de jaren zestig beschikbaar kwam, was dit binnen bereik gekomen. Vooral tot halverwege de jaren negentig nam de gemiddelde leeftijd snel toe door het uitstel van het moederschap. Het uitstel komt onder meer doordat vrouwen langer onderwijs zijn gaan volgen en door toegenomen arbeidsparticipatie onder vrouwen (CBS, 2007c;Beets & Dourleijn, 2001).
  • Sinds 2004 is het uitstel van moederschap tot een einde gekomen. Vrouwen zijn sindsdien gemiddeld 29,4 jaar bij de geboorte van hun eerste kind (zie figuur 3).

Sinds 2007: meer vrouwen kiezen voor moederschap

De afgelopen drie jaar kozen meer vrouwen voor het moederschap. Het aantal eerstgeborenen nam namelijk toe van 82.000 in 2008 tot bijna 86.000 in 2010. Omdat het aantal vruchtbare vrouwen (20-40 jaar) in die periode juist daalde, betekent dit dat twintigers het moederschap niet verder uitstellen of dat dertigers en veertigers alsnog een gezin stichten (De Graaf, 2011b).

Geboortecijfer onder 40-44-jarige vrouwen gestegen

Sinds 1985 stijgt zowel het aantal als aandeel vrouwen dat op 40-44-jarige leeftijd een kind krijgt. Het ging daarbij steeds vaker om een eerste kind. In 1985 kregen 3,9 vrouwen op de 1.000 40-44-jarige vrouwen een kind en was 13% een eerste kind. In 2010 betrof het 11,8 per 1.000 vrouwen en was 28% een eerste kind (CBS StatLine, 2011). De stijging komt door het uitstellen van kinderen en door 'repartnering' (met als gevolg een nieuw gezin of uitbreiding ervan) (De Graaf, 2011a).

Figuur 3: Gemiddelde leeftijd van moeder bij geboorte eerste kind, 1950-2010 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Gemiddelde leeftijd van moeder bij geboorte eerste kind, 1950-2010

Aantal tienermoeders afgenomen

Rond 1970 kregen jaarlijks nog ongeveer 12.000 meisjes van jonger dan twintig jaar een kind. Dat aantal liep vervolgens sterk terug als gevolg van toegenomen anticonceptiegebruik tot iets meer dan 2.500 tienermoeders rond midden jaren negentig. Daarna steeg echter het aantal tienermoeders tijdelijk weer naar 3.569 in 2001. Door hernieuwde aandacht voor preventie van tienerzwangerschappen (Garssen, 2005a) is sinds 2002 deze stijgende trend weer gekeerd. Zo daalde tussen 2002 en 2007 het aantal tienermoeders, vooral onder niet-westers allochtone tienermeisjes. Dat het aantal tienermeisjes onder de eerstegeneratie allochtonen daalde, komt ook door de strengere regels rondom huwelijksmigratie (met als gevolg een kleinere risicogroep) (Garssen, 2008a). De laatste jaren is het aantal tienermoeders redelijk stabiel; in 2009 werden er 2.663 kinderen geboren bij een tienermoeder, vergeleken met 2.543 in 2007 (CBS StatLine, 2009).

Zie ook:

Naar boven


Samenleefvorm moeder

Stijging aandeel ongehuwd samenwonende moeders en alleenstaande moeders

Steeds vaker worden kinderen geboren bij een ongehuwd samenwonende moeder in plaats van een gehuwd samenwonende moeder. Dat geldt zowel voor eerstgeboren kinderen als daaropvolgende kinderen (Van Huis & Loozen, 2010). Het huwelijk als voorwaarde voor ouderschap is grotendeels losgelaten (Latten, 2004). Zo kwam in 2009 1 op de 3 levendgeborenen ter wereld bij een ongehuwd samenwonende moeder, terwijl dat in 2000 nog 1 op de 5 was. Ook het aandeel alleenstaande moeders steeg het afgelopen decennium, hetzij licht; van 6% in 2000 naar 7% in 2009. Ondanks de stijging van het aandeel ongehuwd samenwonende en alleenstaande moeders, werden de meeste kinderen in 2009 geboren bij een gehuwd samenwonende moeder (60%) (Van Huis & Loozen, 2010).

Naar boven

.

Bronnen en Literatuur

Bronnen

Literatuur

  • Beets G, Dourleijn E. Vrouw steeds ouder bij geboorte eerste kind; onderwijs verklaart helft uitstelgedrag. NIDI: Demos,2001; 17(5): 37-40.
  • CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.Moederschap niet verder uitgesteld. CBS Webmagazine, 11 juni 2007. Voorburg/Heerlen: CBS, 2007c.
  • CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.Voor het eerst sinds 2000 meer geboorten. CBS Persbericht, 11 november 2008. Den Haag/Heerlen, 2008i.
  • CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek.Relatie en gezin aan het begin van de 21ste eeuw. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2009h.
  • Duin C van.Bevolkingsprognose 2008–2050: naar 17,5 miljoen inwoners. CBS Bevolkingstrends, 1e kwartaal 2009. Den Haag/Heerlen: CBS, 2009.
  • Garssen J. Opnieuw minder tienermoeders. CBS Webmagazine, 20 juni 2005. Voorburg/Heerlen: CBS2005a.
  • Garssen J.Sterke daling geboortecijfer niet-westers allochtone tieners. CBS Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2008. Den Haag/Heerlen, 2008a.
  • Garssen J.Minder tweelingen. CBS Webmagazine, 22 december 2008. Den Haag/ Heerlen, 2008b.
  • Graaf A de.Minder vrouwen, minder kinderen. CBS Webmagazine, 19 maart 2007. Voorburg/Heerlen: CBS, 2007.
  • Graaf A de.Gezinnen in beweging. Den Haag/ Heerlen:: CBS, 2011a.
  • Graaf A de.Meer vrouwen kiezen voor moederschap. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2011b.
  • Huis M van, Loozen S.Samenleefvorm van de moeder bij geboorte van het kind. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2010.
  • Huis M van, Wobma E.Mannen vaker kinderloos. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2010.
  • Latten J. Trends in samenwonen en trouwen. CBS Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2004. Voorburg/Heerlen: CBS,2004: 46-60.
  • Nimwegen N van, Beets G.Bevolkingsvraagstukken in Nederland anno 1994: demografische ontwikkelingen in maatschappelijk perspectief. Werkverband Periodieke Rapportage Bevolkingsvraagstukken (WPRB). Den Haag: NIDI, 1994.
  • NVOG, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie.Landelijke IVF-cijfers 1996-2009. Utrecht: NVOG, 2010.
  • Wobma E, Garssen J.Aantal meerlingen neem af. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2011.
  • Wobma E, Huis M van.Cohortvruchtbaarheid van mannen. Den Haag/ Heerlen: CBS, 2010.

Begrippen en afkortingen

Definities

Geboorte
Bevallingen met een zwangerschapsduur van 28 of meer weken, ongeacht de levensvatbaarheid van de kinderen.
Perinatale sterfte
Het aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22, 24 of 28 weken of meer en sterfte in de eerste levensweek. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen (de perinatale sterfte is de som van doodgeboorte en vroeg neonatale sterfte).
Vruchtbaarheidscijfer
Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen per vrouw. Schatting voor het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw krijgt indien de in een bepaald jaar of voor een bepaald geboortecohort waargenomen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers gedurende haar leven zouden gelden. Het cijfer wordt berekend door het aantal in een jaar geboren kinderen per leeftijdsjaar van de moeder te delen op het totaal aantal vrouwen van die leeftijd, en vervolgens de uitkomsten hiervan te sommeren over de vruchtbare levensjaren.
Nationaal Kompas Volksgezondheid, versie 4.7, 22 maart 2012
© RIVM, Bilthoven / Disclaimer.