U bevindt zich op:Nationaal Kompas Volksgezondheid›Bevolking›Geboorte›Geboorte samengevat
In 2010 brachten in Nederland 182.000 vrouwen ruim 184.000 levensvatbare kinderen ter wereld. Meestal kregen de vrouwen één kind. In 2010 waren er 3.018 meerlinggeboorten, 16,6 per 1.000 geboorten. Ten opzichte van de jaren 2008 en 2009 is het aantal geboorten in 2010 iets gedaald. De meeste kinderen worden geboren bij een (al dan niet gehuwd) samenwonend paar.
Een klein deel van de kinderen werd dood geboren of stierf in de eerste levensweek. Uitgaande van een zwangerschapsduur van 28 weken of meer, dan stierven er in 2009 4,9 per 1.000 kinderen voor of kort na de geboorte. Uitgaande van een zwangerschapsduur van minimaal 24 weken, betrof het 5,7 per 1.000 geboren kinderen. In 1991 lag dit cijfer nog ruim 1,5 keer zo hoog met 10,2 per 1.000.
Het aantal vrouwen dat jaarlijks een kind ter wereld brengt, bewoog zich de afgelopen tien jaar tussen ongeveer 179.000 en 204.000. In de jaren zestig van de vorige eeuw werden jaarlijks meer dan 240.000 kinderen geboren, terwijl er veel minder vrouwen in de vruchtbare levensfase waren. Het gemiddeld kindertal per vrouw lag toen dus hoger.
Het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw krijgt als de huidige vruchtbaarheidscijfers haar hele (vruchtbare) leven zouden gelden, was in 2010 1,8. Sinds de eeuwwisseling is het vruchtbaarheidscijfer redelijk stabiel. Het gemiddeld kindertal van 1,8 ligt onder het vervangingsniveau van 2,1 kind dat nodig is om de huidige generaties mannen en vrouwen volledig te vervangen. Al sinds 1973 ligt in Nederland het gemiddeld kindertal onder het vervangingsniveau. Dit in tegenstelling tot voor 1965, toen het gemiddeld kindertal per vrouw boven de drie lag.
De vruchtbaarheid van vrouwen en mannen verschillen van elkaar. Zo is de kinderloosheid onder mannen hoger dan onder vrouwen, omdat ze vaker geen partner hebben. Áls mannen vader worden, is hun kindertal echter hoger dan onder vrouwen. De kans op een tweede, derde en vierde kind is hoger doordat mannen een langere vruchtbare periode hebben.
Over het algemeen krijgen hoogopgeleide vrouwen iets minder kinderen dan laagopgeleiden. Daarnaast zijn ze vaker kinderloos. Vooral hierdoor is het gemiddeld kindertal per vrouw lager onder hoogopgeleiden.
De vruchtbaarheid van niet-westers allochtone vrouwen in Nederland ligt hoger dan die van autochtone vrouwen. In de afgelopen vijftien jaar is het gemiddeld kindertal bij de niet-westers allochtone bevolking iets gedaald en bij de autochtone bevolking iets gestegen.
Na een forse stijging van het aantal tienermoeders in de tweede helft van de jaren negentig van de vorige eeuw, is het aantal tussen 2002 en 2007 gedaald en in 2008 en 2009 stabiel gebleven. Het aantal tienergeboorten is de laatste jaren bij allochtone vrouwen in versnelde mate afgenomen. In 2009 werden in Nederland 2.636 kinderen geboren bij vrouwen jonger dan twintig jaar.
De gemiddelde leeftijd van de moeder bij geboorte van het eerste kind is toegenomen van 24,3 jaar in 1970 naar 29,4 jaar in 2004 en bleef tot en met 2010 op deze leeftijd staan. Vooral tot halverwege de jaren negentig nam de gemiddelde leeftijd snel toe door uitstel van het moederschap. De afgelopen zeven jaar lijkt het uitstel tot een einde gekomen. Wel is het geboortecijfer onder 40-44-jarige vrouwen gestegen sinds 1985. Ook 'repartnering' (met als gevolg een nieuw gezin of uitbreiding ervan) speelt daarbij een rol.
Vrouwen die op latere leeftijd een kind krijgen, hebben een grotere kans op medische complicaties en daarmee op medische zorg. Enkele voorbeelden zijn: meer interventies zoals inleiding van de baring en keizersneden, meer perinatale sterfte en de kans op chronische aandoeningen (diabetes, hart- en vaatziekten) neemt toe naarmate de vrouw ouder is, met mogelijk gevolgen voor de uitkomsten van de zwangerschap.
Volgens de langetermijnprognose van het CBS zal het aantal levendgeborenen de komende decennia schommelen tussen 180.000 en 191.000. Verwacht wordt dat de komende jaren (tot 2012) het aantal geboorten daalt en vervolgens (tot 2030) weer stijgt. Deze golfbeweging is het gevolg van het verloop van het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijdsgroepen. Daarnaast spelen periode-effecten zoals een (on)gunstig economisch klimaat een rol. Voor de toekomst worden geen opvallende ontwikkelingen verwacht in het vruchtbaarheidscijfer.