Bevolking

Bij het onderwerp bevolking vindt u informatie over demografische en sociaaleconomische ontwikkelingen binnen onze maatschappij. Deze ontwikkelingen zijn van invloed op gezondheid en ziekte, gezondheidsdeterminanten, preventie en zorggebruik.

Kort en bondig

Heden, verleden en toekomst

Geografische verschillen

Kijk ook eens bij andere websites:

Bevolking

Bevolking samengevat

Nederland telt 16,5 miljoen inwoners in 2009

Op 1 januari 2009 telde Nederland 16,5 miljoen inwoners. De bevolking bestond voor een groot deel uit mensen met leeftijden tussen 34 en 62 jaar (ruim 42% van de bevolking). Deze mensen vormen de naoorlogse babyboom, geboren tussen 1946 en 1970. De verhouding tussen mannen en vrouwen in de gehele bevolking is vrijwel in evenwicht. Er zijn echter anderhalfmaal zoveel vrouwen als mannen in de leeftijd van tachtig jaar of ouder.

Bevolking sinds 1900 verdrievoudigd

Sinds 1900 is de Nederlandse bevolking gegroeid van 5,1 naar 16,5 miljoen inwoners. Dit komt overeen met een gemiddelde bevolkingsgroei van 1% per jaar. Sinds de jaren tachtig fluctueert de groei echter rond een half procent. In de gehele periode was er geen enkel jaar waarin de bevolkingsomvang stagneerde of kromp.

Laatste twee jaar bevolkingsgroei vooral door immigratie

De bevolkingsgroei is de laatste twee jaar licht toegenomen; van een historisch dieptepunt in 2006 (0,2%) naar een groei van 0,5% in 2008. De bevolking groeide in 2008 met 81.000 inwoners. De stijging van de laatste twee jaar wordt met name veroorzaakt door een positief migratiesaldo; de immigratie nam sterk toe en het aantal emigranten daalde.

Bevolkingskrimp na 2038, in periferie eerder

Vanaf 2038 zal de bevolkingsgroei omslaan in krimp. Op regionaal niveau blijken de regio's Zuid-Limburg, Noordoost-Groningen en delen van Zeeland al te maken te hebben met een afnemend aantal inwoners. Dit komt onder andere door vergrijzing en het vertrek van jongeren naar de grote steden voor werk of studie. Op provincieniveau laat de provincie Limburg sinds 2002 een afnemend aantal inwoners zien en zij was in 2008 de enige provincie zonder bevolkingsgroei.

Aandeel ouderen zal sterk blijven toenemen

De bevolking wordt steeds ouder. Het aandeel 65-plussers, in 2009 nog 15%, zal flink toe blijven nemen. De vergrijzingspiek valt rond 2040. Dan is een kwart van de bevolking 65 jaar of ouder.

Bevolking

Heden, verleden en toekomst

Wat is de huidige situatie?

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolking

Bevolkingsomvang

Nederland telt 16,5 miljoen inwoners in 2009

Op 1 januari 2009 telde Nederland bijna 16,5 miljoen inwoners. Over heel 2008 nam de bevolking toe met 81.000 personen. Deze bevolkingsgroei werd voor bijna een derde bepaald door het positieve migratiesaldo in 2008; er vestigden per saldo 27.000 mensen in Nederland. De rest van de groei is het gevolg van natuurlijke groei. Er werden 185.000 levensvatbare kinderen geboren en er stierven 135.000 personen: een geboorteoverschot van 50.000 personen (zie tabel 1).

Zie ook:

Tabel 1: Kerncijfers van de bevolkingsgroei, 2008 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

2008

Totale bevolkingsgroei a

81.188

Natuurlijke groei

Levendgeborenen

184.669

Overledenen

134.996

Geboorteoverschot

49.673

Migratie

Immigratie

142.669

Emigratie b

115.827

Saldo migratie b

26.842

a Inclusief saldo administratieve correcties en overige correcties.

b Inclusief saldo administratieve correcties.


Leeftijdsopbouw bevolking

Veel inwoners tussen 34 en 62 jaar oud

Op 1 januari 2009 bestond de bevolking van Nederland voor een groot deel uit mensen met leeftijden tussen 34 en 62 jaar. Dit zijn zeven miljoen inwoners (ruim 42% van de bevolking). Deze mensen vormen de naoorlogse babyboom, geboren tussen 1946 en 1970. 15% van de bevolking was 65 jaar of ouder. 4% van de bevolking was tachtig jaar of ouder. Vanwege het relatief lage aantal jongeren heeft de bevolkingsopbouw niet de vorm van een piramide maar van een peer (zie figuur 1).

Mensen van 39 jaar grootste leeftijdsgroep

Op 1 januari 2009 vormden de 39-jarigen de grootste leeftijdsgroep, 268.000 personen. Zij zijn groter in aantal dan de babyboomers die vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren; het aantal 62-jarigen bedraagt 239.000. Weliswaar werden in hun geboortejaar, 1946, meer kinderen geboren dan in 1969, het geboortejaar van de 39'ers van nu. Maar van de geboortegeneratie uit 1946 is inmiddels een aantal mensen overleden of geëmigreerd. Bovendien is het aantal 39-jarigen groter als gevolg van immigratie.

Meer oudere vrouwen dan oudere mannen

De verhouding tussen mannen en vrouwen is in de totale bevolking vrijwel in evenwicht: er zijn 49,5% mannen en 50,5% vrouwen. Er bestaan echter wel verschillen in de afzonderlijke levensfasen. Op jonge leeftijd zijn er meer mannen dan vrouwen, doordat er iets meer jongetjes geboren worden (51%). Dit percentage wordt geleidelijk lager, aangezien in alle leeftijdscategorieën meer mannen dan vrouwen overlijden. Vanaf het 64e levensjaar zijn er meer vrouwen dan mannen. Hierna daalt het aandeel mannen in de totale bevolking snel. Van alle zeventigjarigen is 48% man. Bij de tachtigjarigen is dit percentage gedaald tot 40% en bij negentigjarigen tot 25% (zie figuur 2). Zie ook Bevolking: sterfte.

Figuur 1: Bevolking van Nederland naar leeftijd en geslacht (hoogste leeftijdsklasse is 95+), 1 januari 2009 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Bevolkingspiramide 1 januari 2009

Figuur 2: Aandeel mannen in totale bevolking, per leeftijdsgroep, 1 januari 2009 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Bevolkingsaandeel mannen, 1 januari 2009

Naar boven

Bevolking

Heden, verleden en toekomst

Wat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden?

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolking

Bevolkingsomvang

Bevolking sinds 1900 verdrievoudigd

Sinds 1900 is de bevolking van Nederland gegroeid van 5,1 naar 16,5 miljoen inwoners op 1 januari 2009. Dit komt overeen met een gemiddelde bevolkingsgroei van 1% per jaar. In de hele periode 1900-2008 is er geen enkel jaar waarin de bevolkingsomvang stagneerde of kromp ten opzichte van het voorafgaande jaar. Tussen 1965 en 1975 is de bevolkingsgroei sterk teruggelopen van circa 1,5% naar 0,5%. Sinds 1975 fluctueert de groei sterk, parallel aan de fluctuaties in de economische groei. De sterkste bevolkingsgroei deed zich voor in 1946, het begin van de naoorlogse 'babyboom', met een groei van 2,5%. De laagste bevolkingsgroei vond plaats in 2006, met een groei van 0,2% (zie figuur 1). De jaren erna nam de bevolkingsgroei weer wat toe tot een groei van 0,5% in 2008.

Tot 1970: vooral natuurlijke groei

Tot ongeveer 1970 werd de bevolkingsgroei vrijwel volledig bepaald door natuurlijke groei. Het geboorteoverschot, het verschil tussen geboorte en sterfte, was hoog vanwege hoge geboortecijfers, waaronder de naoorlogse geboortegolf tussen 1946 en 1970. Negatieve uitschieters in het geboorteoverschot vonden plaats in de jaren 1918 en 1945; de Spaanse Griep en de hongerwinter veroorzaakten hoge sterftepieken (zie figuur 2).

Na 1970: migratie wordt belangrijker

Na 1970 nam het aandeel van de buitenlandse migratie in de bevolkingsgroei geleidelijk toe. Dit kwam doordat enerzijds de natuurlijke groei afnam door een daling van het aantal geboorten. Anderzijds nam het migratiesaldo (immigratie minus emigratie) toe als gevolg van een stijging van het aantal immigranten. De piek van het migratiesaldo in 1975 is echter geflatteerd. In dat jaar zijn circa 10.000 illegalen bij de immigratie meegeteld, terwijl ze in werkelijkheid al jaren eerder naar Nederland waren gekomen (zie figuur 2). In 2008 steeg het migratiesaldo weer na een jarenlange daling; in dat jaar vestigde zich een recordaantal immigranten in Nederland.

Laatste jaren: bevolkingsgroei neemt vooral toe door immigratie

Na een jarenlange daling vanaf 2000, is de laatste twee jaar de bevolkingsgroei weer gestegen (zie figuur 1). In 2000 was de bevolkingsgroei 0,8% (133.000 inwoners), daarna zakte deze tot 0,2% in 2006, de laagste bevolkingsgroei sinds 1900. De afgelopen jaren steeg de bevolkingsgroei weer tot 0,5% in 2008. Deze trend vanaf 2000 werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een afname en daarna toename van het migratiesaldo (zie figuur 2) (Van Duin, 2009). Tussen 2000 en 2007 kwamen er steeds minder immigranten, terwijl juist meer mensen naar het buitenland vertrokken. In 2008 sloeg dit om en waren er voor het eerst weer meer immigranten dan emigranten. In 2008 steeg het migratiesaldo tot 27.000, wat voor een derde van de totale bevolkingsgroei zorgde. Zie ook Bevolking: migratie.

Figuur 1: Bevolkingsomvang, 1900-2009 (op 1 januari) en bevolkingsgroei, 1900-2008 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Bevolkingsgroei en omvang 1900-2008

Figuur 2: Bevolkingsgroei uitgesplitst in geboorteoverschot en migratiesaldo a , 1900-2008 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Natuurlijke aanwas en migratiesaldo 1900-2008

a Inclusief saldo administratieve correcties.


Leeftijdsopbouw bevolking

Na 1970 is bevolking verouderd

De bevolkingsopbouw is de afgelopen decennia sterk veranderd. Tot de jaren zeventig had Nederland een jonge leeftijdsstructuur als gevolg van hoge geboortecijfers, waaronder de naoorlogse babyboom. Na 1970 daalde het geboortecijfer snel, terwijl de levensverwachting verder toenam. Hierdoor is het aandeel jongeren in de bevolking fors afgenomen. Tussen 1970 en 2009 daalde het aandeel 0-19-jarigen van 36% naar 24%. Het aandeel ouderen steeg juist. In 1970 was 10% van de bevolking 65 jaar of ouder, in 2009 was dit 15% (zie figuur 3). Zie ook Bevolking: vergrijzing.

Figuur 3: Ontwikkeling bevolkingsopbouw naar leeftijd, 1900-2009 (op 1 januari) (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Leeftijdsverdeling 1900-2009

Naar boven

Bevolking

Heden, verleden en toekomst

Wat zijn de belangrijkste verwachtingen voor de toekomst?

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolking

In dit document zijn prognoses en scenario's beschreven voor de toekomstige ontwikkeling van de bevolkingsomvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking.


Bevolkingsomvang

Prognose: bevolkingsgroei tot 2038, daarna krimp

Nederland heeft nog enige tijd te maken met bevolkingsgroei. Volgens de CBS Bevolkingsprognose uit 2008 groeit de bevolking tot 2038 tot een omvang van 17,5 miljoen inwoners (zie figuur 1). Daarna zal de bevolking gaan krimpen. Vanaf 2038 kan het positieve migratiesaldo (aantal immigranten minus aantal emigranten) het negatieve geboorteoverschot (aantal levendgeborenen minus aantal overledenen) niet meer compenseren. Daardoor slaat de bevolkingsgroei om in krimp. In 2050 heeft Nederland 16,8 miljoen inwoners (Van Duin, 2009; De Jong, 2005a; De Jong, 2005b).

Zie ook: Onzekerheden in de prognose van de bevolkingsomvang.

Scenario: Grote bevolkingsgroei in Competitieve wereld en bij Mondiale solidariteit

Naast de CBS Bevolkingsprognose, die de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling beschrijft, zijn in 2004 met een aanvulling in 2009, vier scenario's gepubliceerd die alternatieve toekomsten beschrijven (De Jong & Hilderink, 2004; De Jong, 2008). Volgens de vier scenario's kan Nederland zowel sterk groeien als sterk krimpen (zie figuur 2). In het scenario Competitieve wereld en Mondiale solidariteit treedt er geen bevolkingskrimp op tot 2100 en groeit de bevolking tot respectievelijk 23,5 miljoen en 21,3 miljoen. In de Zorgzame regio en Veilige regio treedt er bevolkingskrimp op; na ongeveer 2035 bij het scenario Veilige regio en na ongeveer 2020 bij het scenario Zorgzame regio. Het blijkt dat de huidige bevolkingsomvang tot nu toe bijna overeenstemt met het scenario Zorgzame regio, waarbij de krimp zich inzet rond 2020. De lijn van Veilige regio komt het meest overeen met die van de CBS Bevolkingsprognose (De Jong, 2008).

Zie voor uitleg over prognoses en scenario's: Achtergronddocument over prognoses en scenario's.

Figuur 1: Bevolkingsomvang, 1950-2009 en prognose van de bevolkingsomvang, 2009-2050 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; CBS Bevolkingsprognose).

Bevolkingsomvang, 1950-2009 en prognose bevolkingsomvang, 2009-2050

Figuur 2: Ontwikkeling van de bevolkingsomvang volgens de vier scenario’s, 2000-2100 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; De Jong & Hilderink, 2004; De Jong, 2008).

Bevolkingsomvang vier scenario's 2000-2100

Leeftijdsopbouw bevolking

Prognose: aandeel ouderen blijft toenemen

In de komende decennia zal het aandeel 65-plussers verder stijgen, vooral vanaf 2011 wanneer de eerste leden van de babyboomgeneratie 65 jaar oud worden. Op het hoogtepunt, in 2040, zijn ruim 4,5 miljoen Nederlanders 65 jaar of ouder, 26% van de bevolking (zie figuur 3). Daarna neemt het aandeel ouderen in de bevolking iets af. Ter vergelijking: in 2009 waren er 2,5 miljoen 65-plussers, 15% van de bevolking. Ook het aantal 80-plussers zal stijgen. Was in 2009 4% van de bevolking tachtig jaar of ouder, in 2050 zal dat 10% van de bevolking zijn, ongeveer 1,7 miljoen mensen (zie ook: Vergrijzing).

Prognose: nog een kleine afname 0-19-jarigen

Het aandeel jongeren in de bevolking zal nog iets afnemen, maar niet meer in die mate als in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. In 2009 was 24% van de bevolking in de leeftijd van 0 tot en met 19 jaar. Dit aandeel zal geleidelijk afnemen tot 21% in 2025 en tot 2050 blijft dit vrijwel stabiel (zie figuur 3).

Prognose: beroepsbevolking krimpt

De komende decennia zal de potentiële beroepsbevolking, de bevolking tussen 20 en 65 jaar, afnemen (zie figuur 3). Het aandeel van deze leeftijdsgroep daalt van 61% in 2009 tot 53% in 2040 en neemt daarna licht toe tot 54% in 2050.

Zie ook: Onzekerheden in de prognose van de bevolkingsopbouw.

Scenario: minste groei aandeel 65-plussers in Competitieve wereld

Naast de CBS Bevolkingsprognose, die de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling beschrijft, zijn in 2004 met een aanvulling in 2009, vier scenario's gepubliceerd die alternatieve toekomsten beschrijven (zie: Achtergronden bij prognoses en scenario's). In het scenario Competitieve wereld zal het aandeel 65-plussers het minst snel groeien (zie figuur 4). Vergrijzing wordt in dit scenario als een economisch probleem gezien, omdat er krapte op de arbeidsmarkt ontstaat en de pensioenkosten stijgen. Hierdoor wordt arbeidsmigratie nodig geacht, vooral uit de nieuwe landen van de EU-27, zodat het aandeel ouderen daalt (De Jong & Hilderink, 2004). In het scenario Zorgzame regio stijgt het aandeel 65-plussers het meest. De scenario's Mondiale solidariteit en Veilige regio hebben een aandeel 65-plussers dat tussen de twee eerstgenoemde scenario's in ligt.

Zie voor uitleg over prognoses en scenario's: Achtergronddocument over prognoses en scenario's.

Figuur 3: Aandeel 65-plussers, 0-19-jarigen en 20-64-jarigen in de totale bevolking, 1950-2009 en prognose 2009-2050 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; CBS Bevolkingsprognose).

Percentage 0-19-jarigen, 20-64-jarigen en 65-plussers, 1950-2009 en prognose 2009-2050

Figuur 4: Ontwikkeling van het percentage personen van 65 jaar en ouder, volgens de vier scenario’s, 2000-2100 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; De Jong & Hilderink, 2004, De Jong, 2008).

Aandeel 65-plussers vier scenario's 2000-2100

Bevolking

Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen voor de toekomst?

Onzekerheden prognoses bevolking

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolking

Dit document toont de onzekerheden in de prognosecijfers van de bevolkingsomvang en de leeftijdsopbouw van de bevolking (het aantal 65-plussers) voor de periode 2008-2050.


Bevolkingsomvang

Onzekerheden in de bevolkingsprognose

Figuur 1 toont naast de prognose ook de prognose-intervallen oftewel de onzekerheden in de geschatte ontwikkelingen op lange termijn. De prognose-intervallen geven een beeld van deze onzekerheden aan de hand van een kansverdeling van de toekomstige ontwikkelingen. De onzekerheidsmarge van de prognose neemt toe met de lengte van de prognoseperiode. Voor 2015 is de prognose dat Nederland 16,8 miljoen inwoners telt. De kans is 67% dat dit getal tussen de 16,6 en 16,9 miljoen inwoners ligt. Voor 2050 is deze marge beduidend groter. De prognose van 17,3 miljoen inwoners in 2050 heeft voor het 67%-prognose-interval als ondergrens 15,8 en als bovengrens 18,6 miljoen inwoners. De ondergrens van het prognose-interval laat zien dat, hoewel een stijging van de bevolkingsomvang tot 2038 waarschijnlijk wordt geacht, het niet kan worden uitgesloten dat de bevolkingsomvang al rond 2025 zal afnemen. Regionaal is dit overigens al vanaf 2002 het geval in de provincie Limburg.

Zie ook: Regionale verschillen in bevolkingsomvang.

Figuur 1: Bevolkingsomvang, 1950-2009 en prognose bevolkingsomvang met 67%- en 95%-prognose-interval, 2009-2050 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; CBS Bevolkingsprognose).

Prognose bevolkingsomvang 2009-2050 met 67% en 95%-prognose-interval

Leeftijdsopbouw bevolking

Onzekerheden in de prognose van het aantal 65-plussers

Figuur 2 toont naast de prognose ook de prognose-intervallen oftewel de onzekerheden in de geschatte ontwikkelingen op lange termijn. De prognose-intervallen geven een beeld van deze onzekerheden aan de hand van een kansverdeling van de toekomstige ontwikkelingen. De onzekerheidsmarge van de prognose neemt toe met de lengte van de prognoseperiode. Voor 2020 is de prognose dat 3,36 miljoen van de bevolking in Nederland 65 jaar of ouder is. De kans is 67% dat dit aantal tussen de 3,27 en 3,44 miljoen ligt. Voor 2050 is deze marge groter. De prognose van 4,25 miljoen 65-plussers heeft voor het 67%-prognose-interval als ondergrens 3,79 miljoen en als bovengrens 4,64 miljoen. Het feit dat zelfs de ondergrens van het 95%-prognose-interval een sterke stijging laat zien, betekent dat de toename van het aantal 65-plussers als een zekerheid kan worden beschouwd. Er is alleen enige onzekerheid over de snelheid waarmee het aantal 65-plussers zal toenemen.

Figuur 2: Aantal 65-plussers, 1950-2009 en prognose Aantal 65-plussers met 67%- en 95%-prognose-interval, 2009-2050 (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek; CBS Bevolkingsprognose).

Prognose aantal 65-plussers 2009-2050 met 67% en 95%-prognose-interval

Bevolking

Achtergronden bij prognoses en scenario's

Prognoses en scenario'sInhoud scenario's

Prognoses en scenario's

Prognoses en scenario’s geven beeld van de toekomst

Prognoses en scenario’s zijn middelen om een beeld te krijgen van de toekomst. Beide doen dat op een andere manier. Prognoses beschrijven de meest waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen in bijvoorbeeld geboorte, sterfte en migratie op basis van trends uit het verleden. Van scenario’s is het doel om een beeld te krijgen van alternatieve toekomsten. Door verschillende toekomstbeelden op te stellen, biedt de scenario-aanpak houvast aan de grote mate van onzekerheid over ontwikkelingen in de samenleving. Een voorbeeld: bij onzekerheid over hoe de economie zich gaat ontwikkelen, kunnen twee (of meer) voorspellingen (prognoses) gemaakt worden: één voor bijvoorbeeld de migratieontwikkeling bij hoge economische groei en één bij een lage economische groei. De verschillende toekomstbeelden (scenario's) kunnen voor organisaties als leidraad dienen bij het nemen van strategische beslissingen. Bijvoorbeeld scenario’s die over vergrijzing van de bevolking gaan, zijn relevant voor organisaties die zich bezighouden met zorg, pensioenen, arbeidsmarkt, huisvesting en scholing (De Jong & Hilderink, 2004).

Prognose: meest waarschijnlijke toekomst, Scenario: alternatief toekomstbeeld

Prognoses en scenario’s hebben gemeen dat ze veronderstellen dat de toekomst onzeker is en zich in verschillende richtingen kan ontwikkelen. Prognoses hebben als doel een voorspelling te doen over de toekomst en geven expliciet aan welk toekomstbeeld het meest waarschijnlijk is. Om de mate van onzekerheid van prognoses duidelijk te maken, worden prognose-intervallen gepresenteerd: een prognose van de marge waarbinnen de werkelijke waarde zich met een bepaalde waarschijnlijkheid zal bevinden. Scenario’s pretenderen geen voorspellingen te geven maar alternatieve toekomstbeelden. Bij scenario’s wordt meestal geen uitspraak gedaan over de waarschijnlijkheid dat een bepaald scenario de werkelijke ontwikkeling zal beschrijven.


Inhoud scenario's

Hoe zijn scenario’s opgebouwd?

In 2004 zijn door onder meer het Centraal Planbureau (CPB) en het Milieu en Natuur Planbureau (MNP, sinds 2008: PBL, Planbureau voor de Leefomgeving) vier toekomstscenario’s uitgewerkt. Deze scenario’s zijn opgebouwd rond twee sleutelonzekerheden (RIVM-MNP, 2004a):

  • De mate waarin landen bereid en in staat zijn om internationaal samen te werken (globalisering versus regionalisering);
  • De verdeling tussen publieke en private verantwoordelijkheden, in het bijzonder de vraag of en hoe gekozen wordt voor meer of minder sturing door de collectieve sector (efficiëntie versus solidariteit).

Door de twee sleutelonzekerheden op twee assen weer te geven, ontstaan vier kwadranten met in elk kwadrant een scenario. De vier scenario’s zijn (zie figuur 1) (RIVM-MNP, 2004a):

  • Competitieve wereld (ook wel Mondiale markt genoemd)
  • Mondiale solidariteit
  • Veilige regio
  • Zorgzame regio

Wat houden de vier scenario’s in?

In het scenario ‘Competitieve wereld’ ligt de nadruk op marktwerking en globalisering. Het scenario heeft een hoge economische groei. Onder alle lagen van de bevolking, van hoge tot lage sociaaleconomische status, zal zich een welvaartsstijging voordoen. De verschillen tussen hoog en laag blijven echter bestaan of groeien. In het scenario ‘Zorgzame regio’ is de overheid belangrijk en heeft regionalisering grote prioriteit. De economische groei is gering. Er is sprake van solidariteit van de meer met de minder bedeelde groepen in de samenleving. Er treedt verbetering van de welvaart op in groepen met een lage sociaaleconomische status. De ‘Competitieve wereld’ en ‘Zorgzame regio’ zijn de twee meest contrasterende scenario’s. Er tussenin bevinden zich de scenario’s ‘Mondiale solidariteit’ en ‘Veilige regio’ (RIVM-MNP, 2004a).

De vier scenario’s doorgetrokken tot 2100

De vier toekomstscenario’s die in 2004 zijn opgesteld, lopen tot 2050. Recentelijk zijn deze doorgetrokken tot 2100 (De Jong, 2008). Deze scenario's kunnen inzicht geven bij vraagstukken voor de zeer lange termijn. Daarbij is ervan uitgegaan dat geboorte, migratie, immigratie, emigratie en huishoudensovergangen (veranderingen in huishoudenstype) na 2050 weinig meer veranderen.

Figuur 1. De vier scenario's a (Bron: RIVM-MNP, 2004a).

Schema scenario's

a Het scenario Competitieve wereld wordt ook wel Mondiale markt genoemd.

Bevolking

Geografische verschillen

Zijn er in Nederland verschillen naar regio?

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolking

Bevolkingsomvang

Bevolkingskrimp in periferie, groei in Randstad

Terwijl de Nederlandse bevolking als geheel zal krimpen na 2038, is in sommige perifere regio's de krimp al begonnen. Het gaat hierbij om Zuid-Limburg, delen van Zeeland, en Noord-oost Groningen, dus regio's aan de randen van Nederland. De krimp ontstaat onder andere door vergrijzing en doordat jongeren vanuit deze regio's wegtrekken naar centralere delen van Nederland vanwege werk of studie (De Jong & Garssen, 2009). Volgens de regionale bevolkingsprognose 2009-2040 van CBS en PBL zal in 2040 in een kwart van de Nederlandse gemeenten de bevolking afgenomen zijn met meer dan 2,5%. Daarentegen zullen de centrale delen van Nederland en met name de Randstad juist groeien; in 2040 met ruim 1,25 miljoen mensen (CBS & PBL, 2009b). De groei in de grote steden komt vooral door buitenlandse migratie en natuurlijke groei.

Zie ook:

Bevolking: wat zijn de belangrijkste verwachtingen voor de toekomst?

Hoogste bevolkingsdichtheid in Den Haag

De hoogste bevolkingsdichtheden in Nederland zijn te vinden in de grote steden. Met name in de Randstad bestaan grote clusters van hoge dichtheden. In 2008 had de gemeente Den Haag de hoogste bevolkingsdichtheid van Nederland met 5.771 inwoners per vierkante kilometer. De gemeente Schiermonnikoog had de laagste bevolkingsdichtheid met 23 inwoners per vierkante kilometer. De gemiddelde bevolkingsdichtheid in Nederland was 486 inwoners per vierkante kilometer. De provincies Zuid-Holland en Noord-Holland hebben de hoogste bevolkingsdichtheid en de laagste bevolkingsdichtheden zijn te vinden in de provincies Drenthe en Friesland.

Zie ook: atlasBevolkingsdichtheid per gemeente 2008.

Hoogste bevolkingsgroei in Flevoland

Flevoland had met 1,3% de hoogste bevolkingsgroei van Nederland in 2008. Ter vergelijking: de gemiddelde bevolkingsgroei van Nederland was 0,5%. De hoge bevolkingsgroei in Flevoland wordt enerzijds veroorzaakt door een sterke natuurlijke groei; de provincie heeft een hoog vruchtbaarheidscijfer. Anderzijds heeft Flevoland een sterk positief migratiesaldo. Ook de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland hadden in 2008 een bovengemiddelde bevolkingsgroei.

Bevolkingskrimp in de provincie Limburg

In 2008 was de provincie Limburg de enige provincie met bevolkingskrimp. Het had een afnemend aantal inwoners, ofwel een negatieve bevolkingsgroei van 0,1%. De andere provincies kenden een groei tussen 0,1% en 1,3%. De krimp in de provincie Limburg komt vooral doordat het aantal geboorten kleiner was dan het aantal overledenen. Limburg heeft sinds 2002 een afnemend aantal inwoners. De provincie Zuid-Holland had in 2006 eenmalig te maken met een bevolkingskrimp.

atlasBevolkingsgroei per gemeente 2003-2007.

atlasGeboorteoverschot per gemeente 2003-2007.

atlasMigratiesaldo per gemeente 2003-2007.


Leeftijdsopbouw bevolking

Zeeland sterk vergrijsd

Op 1 januari 2009 had Zeeland met 18% het hoogste percentage 65-plussers vergeleken met de andere provincies van Nederland. Daarna volgen Limburg en Drenthe. Flevoland had met 9% het laagste aandeel 65-plussers. Het Nederlandse gemiddelde lag op 15% (zie figuur 1). De vergrijzing in Zeeland komt enerzijds door het relatief lage aantal jongeren. Al in de jaren zestig en zeventig ontstond een uitstroom van jongeren uit de provincie. Anderzijds is Zeeland een populaire woonlocatie voor met name de jongere ouderen. In Drenthe heeft men een aardige term bedacht voor haar vergrijzing: drentenieren, oftewel financieel draagkrachtige gepensioneerden die hun provincie verlaten om hun laatste levensfase in de relatief bosrijke en rustige provincie Drenthe door te brengen (Fokkema, 2003).

Zie ook: atlasOuderen per gemeente 2009.

Gemeente Rozendaal hoogste grijze druk

Op 1 januari 2009 had de gemeente Rozendaal het hoogste aantal 65-plussers in verhouding tot de beroepsbevolking (20-64-jarigen). De grijze druk was in Rozendaal 50%. De gemeente Laren kwam op een tweede plaats met 49%. De laagste grijze druk was in de gemeente Almere met 12%. De gemiddelde grijze druk in Nederland was op 1 januari 2009 25%.

Zie ook: atlasGrijze druk per gemeente 2009.

Figuur 1: Bevolkingsopbouw naar leeftijd per provincie, 2009 (meetpunt 1 januari) (Bron: CBS Bevolkingsstatistiek).

Bevolkingsopbouw naar leeftijd per provincie, 2009

Naar boven

Aandeel jongeren in Flevoland het hoogst

Gemiddeld is 24% van de Nederlandse bevolking in de leeftijd van 0-19 jaar. De provincie met het hoogste aandeel jongeren is Flevoland, waar bijna een op de drie inwoners jonger dan twintig jaar is. Daarna volgen de provincies Overijssel, Utrecht, Friesland en Gelderland. De gemeente Urk kent het hoogste aandeel jongeren; hier is vier op de tien inwoners jonger dan twintig jaar. Daarna volgt Staphorst.

Zie ook: atlasGroene druk per gemeente 2009

Bevolking

Geografische verschillen

Zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?

BevolkingsomvangLeeftijdsopbouw bevolkingPrognose bevolkingsomvang

Bevolkingsomvang

Nederland op zeven landen na meeste inwoners van de EU

Nederland is naar inwonertal (16,4 miljoen) het achtste land binnen de EU-27 (zie figuur 1). Het maakt hiermee 3,3% uit van de hele EU (Eurostat, 2009). Het EU-land met de meeste inwoners is Duitsland met ruim 82 miljoen op 1 januari 2008, gevolgd door Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De landen met het minste aantal inwoners zijn Malta, Luxemburg en Cyprus, met elk minder dan een miljoen inwoners (Eurostat, 2009). Begin 2008 wordt de totale bevolking van de EU geschat op 496 miljoen inwoners (EC, 2009).

Nederland na Malta het dichtst bevolkt in EU

Na Malta (1.288 inwoners per vierkante kilometer) is Nederland met 484 mensen per vierkante kilometer, het dichtstbevolkte land binnen de EU-27 (meetjaar 2006). Daarna volgt België met 348 mensen per vierkante kilometer. De gemiddelde bevolkingsdichtheid binnen de EU-27 is 115 mensen per vierkante kilometer. Van de landen met meer dan een miljoen inwoners hebben het Verenigd Koninkrijk en Duitsland een relatief hoge bevolkingsdichtheid met respectievelijk 250 en 231 inwoners per vierkante kilometer. Het minst dichtbevolkt zijn Finland en Zweden met respectievelijk 17 en 22 inwoners per vierkante kilometer (Eurostat, 2009).

Nederlandse bevolking groeit sneller dan het EU-gemiddelde

In 2008 was de bevolkingsgroei in Nederland met 0,5% iets hoger dan het EU-27 gemiddelde van 0,4% (zie figuur 2). Tussen 2003 en 2007 was de groei in Nederland lager dan het EU-27 gemiddelde als gevolg van een sterke daling van het migratiesaldo. Tussen 2004 en 2007 was er zelfs sprake van een vertrekoverschot (zie: Migratie: zijn er verschillen tussen Nederland en andere landen?). De natuurlijke bevolkingsgroei is in Nederland hoger dan in veel andere Europese landen: het geboortecijfer in Nederland is iets boven het Europese gemiddelde en het sterftecijfer is iets eronder (EC, 2009). Het snelst groeiende land in de EU was in 2008 Luxemburg, gevolgd door Spanje, Ierland en Slovenië. Een negatieve bevolkingsgroei vond plaats in de Baltische staten, Bulgarije, Duitsland, Hongarije en Roemenië (Eurostat, 2009).

Bevolking EU groeit vooral door migratie

De bevolkingsgroei in de EU kan voor het grootste deel aan migratie worden toegeschreven. Het migratiesaldo (het aantal immigranten minus het aantal emigranten) bedroeg in 2008 1,5 miljoen mensen (Eurostat, 2009). Dat is 75% van de totale bevolkingsgroei. De bevolkingsgroei in de EU komt volledig voor rekening van de oude EU-15 landen; in de recent toegetreden landen nam de bevolking in 2008 en de jaren ervoor niet of nauwelijks toe. In zes recent toegetreden landen was er zelfs sprake van bevolkingsafname. Dit komt voornamelijk door een negatieve natuurlijke groei (meer sterfte dan geboorten), die niet werd gecompenseerd door een (klein) immigratieoverschot (De Beer, 2005; EC, 2009).

Figuur 1: EU-27 landen met de grootste en de kleinste bevolkingsomvang op 1 januari 2008 (Bron: Eurostat, 2009).

EU-27 landen met de grootste en de kleinste bevolkingsomvang op 1 januari 2008

Figuur 2: EU-27 landen met de grootste en de kleinste bevolkingsgroei in 2008 (Bron: Eurostat, 2009).

EU-27 landen met de grootste en de kleinste bevolkingsgroei in 2008

Leeftijdsopbouw bevolking

Nederland minder vergrijsd dan andere EU-landen

Nederland is één van de minst vergrijsde landen binnen de EU-27. Op 1 januari 2008 was 14,7% van de Nederlanders 65 jaar of ouder. In Europa was dit gemiddeld 17,0%. Duitsland en Italië hebben met respectievelijk 19,9% en 20,0% het grootste aandeel 65-plussers. Deze twee landen hebben ook het laagste aandeel mensen onder de 20 jaar (respectievelijk 19,4 en 19%). Ierland en Slowakije hebben het laagste aandeel 65-plussers (respectievelijk 10,9 en 12,0%). Ierland heeft ook veruit het hoogste aandeel mensen onder de 20 jaar (27%). Ook in Nederland is het aandeel mensen van 0-19 jaar hoger dan het EU-27 gemiddelde (zie figuur 3).

Demografische druk neemt in meeste EU-27-landen toe

De verhouding tussen de economisch inactieve bevolking (jongeren en ouderen te jong of te oud om te werken) en de economisch actieve bevolking wordt de demografische druk (age dependency ratio) genoemd. Als deze ratio toeneemt, zijn er naar verhouding steeds minder economisch actieve mensen om de opvoeding van kinderen en de pensioenen van de ouderen te financieren. In Nederland en de meeste EU-15 landen neemt deze ratio sinds de tweede helft van de jaren '80 toe. Dit komt doordat de toename in het aantal ouderen groter is dan de afname in het aantal jongeren. In de meeste nieuwe lidstaten van de EU-27 en Ierland en Spanje neemt de demografische druk af (Harbers et al., 2008).

Figuur 3: Bevolkingsopbouw naar leeftijd in een aantal EU-27 landen op 1 januari 2008, landen gesorteerd op basis van percentage 65-plussers (Bron: Eurostat, 2009).

Bevolkingsopbouw naar leeftijd in een aantal EU-27 landen op 1 januari 2008

Naar boven


Prognose bevolkingsomvang

Bevolking zal in Nederland en EU-27 toenemen tot 2035

De Nederlandse bevolking zal, net als gemiddeld in de EU-27, waarschijnlijk toenemen tot ongeveer 2035. Het aantal Nederlanders zal groeien van 16,4 miljoen in 2008, tot een maximum van 17,3 miljoen in 2036 en daarna weer dalen tot 16,6 miljoen in 2060 (Harbers et al., 2008). De EU-27 bevolking zal met meer dan 15 miljoen toenemen van 496 miljoen in 2008 tot maximaal 520,7 miljoen in 2035. Vanaf dan zal het aantal inwoners geleidelijk afnemen tot 505,7 miljoen in 2060. Niet alle landen zullen overigens een grotere bevolkingsomvang hebben in 2060. De bevolking van Duitsland, Polen, Roemenië, Tsjechië, Slowkije, Slovenië, Hongarije, Bulgarije en de Baltische staten zal in 2060 kleiner zijn dan in 2007. De procentuele afname is het grootst in Polen, Roemenië, de Baltische Staten en Bulgarije (zie figuur 4). De Duitse bevolking zal met meer dan 11 miljoen krimpen van ruim 82 miljoen in 2008 tot 70,8 miljoen in 2060. Daarmee heeft Duitsland de grootste absolute bevolkingsafname. De bevolking van het Verenigd Koninkrijk zal daarentegen tussen 2008 en 2060 met 15 miljoen toenemen tot bijna 77 miljoen (zie figuur 5). Door deze toename en de gelijktijdige afname in Duitsland zal het Verenigd Koninkrijk de plaats van Duitsland innemen als het EU-land met de grootste bevolking (Harbers et al., 2008).

Figuur 4: EU-27 landen met de grootste verwachte verandering (percentage) in bevolkingsomvang in de periode 2008-2060 (Bron: Eurostat, 2009).

EU-27 landen met de grootste verwachte verandering (percentage) in bevolkingsomvang in de periode 2008-2060

Figuur 5: EU-27 landen met de grootste verwachte verandering (absolute aantallen) in bevolkingsomvang in de periode 2008-2060 (Bron: Eurostat, 2009).

EU-27 landen met de grootste verwachte verandering (absolute aantallen) in bevolkingsomvang in de periode 2008-2060
bronnenboekje Bronnen
Afbeelding van een referentieboekje

Bronnen

Popup afsluiten

Bronnen

Literatuur

begrippen boekje Begrippen
Afbeelding van een definitieboekje

Begrippen

Popup afsluiten

Afkortingen

EU-15
De 15 landen die vóór 1 april 2004 de Europese Unie vormden
België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Zweden.
EU-27
De 27 landen die vanaf 1 januari 2007 de Europese Unie vormen.
België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden.

Definities

Bevolkingsdichtheid
Aantal inwoners per vierkante kilometer.
Bevolkingsgroei
De bevolkingsgroei bestaat uit vier componenten: geboorte, sterfte, immigratie en emigratie. Op het niveau van provincies en gemeenten spelen ook binnenlandse verhuizingen een rol.
Emigratie
Vertrek uit Nederland naar het buitenland.
Geboorteoverschot
Levendgeborenen minus overleden personen
Grijze druk
Verhouding van het aantal ouderen ten opzichte van het aantal mensen in de productieve leeftijdsgroep: het aantal personen van 65 jaar en ouder gedeeld door het aantal personen van 20 tot en met 64 jaar.
Immigratie
Vestiging in Nederland vanuit het buitenland.
Natuurlijke groei
Het aantal levendgeborenen minus het aantal overledenen. Als de groei positief is, is er sprake van natuurlijke aanwas; bij negatieve groei van natuurlijke krimp.
Saldo administratieve correcties
Administratieve opnemingen minus de administratieve afvoeringen uit de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens. Administratieve opneming betreft veelal hervestiging van mensen die eerder administratief zijn afgevoerd en die de gemeente melden dat zij nooit uit Nederland zijn weggeweest. Het saldo kan worden opgevat als niet-gemelde emigratie.
Vruchtbaarheidscijfer
Gemiddeld aantal levendgeboren kinderen per vrouw. Schatting voor het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw krijgt indien de in een bepaald jaar of voor een bepaald geboortecohort waargenomen leeftijdsspecifieke vruchtbaarheidscijfers gedurende haar leven zouden gelden. Het cijfer wordt berekend door het aantal in een jaar geboren kinderen per leeftijdsjaar van de moeder te delen op het totaal aantal vrouwen van die leeftijd, en vervolgens de uitkomsten hiervan te sommeren over de vruchtbare levensjaren.

Afdrukken