19 mei 2009
Bij ouderen komen naast ziekten en aandoeningen ook vaak beperkingen in het functioneren voor. Daarom is bij preventie gericht op ouderen niet alleen het voorkómen van ziekten van belang maar ook het bevorderen van het functioneren. Het gaat er daarbij om om ouderen in staat te stellen een zelfstandig leven van goede kwaliteit te (blijven) leiden en aan de samenleving te blijven deelnemen. Dit laatste wordt ook wel ‘succesvol ouder worden’ genoemd.
Beperkingen in het lichamelijk functioneren nemen sterk toe met de leeftijd. Van de 16-24-jarigen heeft 1% beperkingen in de mobiliteit, in de leeftijdsklasse van 75 jaar en ouder is dat bijna 40%. Van de ouderen in verpleeg- en verzorgingshuizen heeft meer dan de helft een ernstige beperking in horen, zien, mobiliteit en/of activiteiten van het dagelijks leven.
Er is veel meer bekend over de determinanten die tot functiebeperkingen leiden dan over mogelijkheden voor preventie van die beperkingen. Dit schrijft de Gezondheidsraad in een eind april verschenen rapport over preventie bij ouderen. Voorbeelden van determinanten van beperkingen zijn ziekte (vooral ernstige rugklachten, artrose en gewrichtsontsteking), erfelijke factoren, lichamelijke activiteit, psychologische factoren en omgevingsfactoren.
Wat wordt er met preventie gericht op ouderen beoogd?
Welke factoren beïnvloeden de effectiviteit?